Tekst

Column door Katja Diallo verschenen in de BK-Info nr. 8, 2005

Eind december 2004 vertrok ik naar Berlijn voor een werkperiode van zes maanden. Niet alleen mijn werk, ook ikzelf heb gretig gebruik gemaakt van de ongekend luxe positie. De stad en de door het CBK aangeboden ruimte, een groot appartement en een gastatelier vormden belangrijke ingrediënten die mijn werk enorm bevorderden. Bij de selectie voor het gastatelier, inclusief curatorenprogramma, werd met name gekeken naar je persoonlijke motivatie voor de werkperiode. Er hoefde geen vooraf uitgewerkt projectvoorstel te liggen.

De stad, dat is nogal simpel. Als een stad een karakter kan hebben is Berlijn aandoenlijk lief en on(duits)deugend. Een metropool met provinciaalse allure en een sfeer die mijlenver verwijderd is van het huidige Hollandse klimaat waar oorlogszuchtige en asocialen de dienst uit mogen maken. Het kostte me dan ook geen week om mij er thuis te voelen. Alle poriën open. Na enkele weken besloot ik een project te doen over de relatie tussen de strategie van de Creative City en de kunstsector. Met Noordkaap hadden we net voor mijn vertrek Kruiend IJs achter de rug. Een manifestatie in een herstructureringsgebied, waarbij we tijdelijk hergebruik door de cultuursector als dé-oplossing-waar-iedereen-beter-van-wordt presenteerde. De manifestatie verliep schijnbaar zo succesvol dat we plotseling de titel innoverende cultureel ondernemers kregen aangemeten en overal benadert werden om ons creatieve steentje bij te dragen aan plannen van de gemeente. Van die plannen waar ik me niet echt in kon vinden. Ik wilde achterhalen wat mijn positie kon zijn binnen een strategie die ik enerzijds continu bekritiseer en die ik anderzijds blijkbaar bevorder. Het Berlijnse project wilde ik zo breed mogelijk houden. Vooral veel vragen stellen over vooral veel uiteenlopende items van stadsontwikkeling en de openbare ruimte. Het werd aldus een researchproject (een geoorloofde term voor projecten die eigenlijk veelte breed zijn, waardoor het trekken van conclusies vrijwel onmogelijk is); de Pop-Up Show - stad als decor. In het atelier maakte ik maquettes, foto's, teksten, schetsen en voerde ik gesprekken over de controlemaatschappij, over neoliberale stadsplanning, over de sociale verantwoording van architectuur, over Hollandse verordeningen openbare ruimte, over de Mediaspree, over het Amsterdams broedplaatsenbeleid, over cameratoezicht en particuliere surveillancebedrijven. In de Pop-Up Show nam ik verschillende rollen aan van onder andere projectontwikkelaar, burger, kunstenaar en creatief ondernemer. Berlijn was mijn werkruimte. Een leegstaand industrieel pand was een perfecte locatie voor een geëngageerd kunstproject over leegstand, met mijn creatieve onderneming richtte ik Diallo's Dichttimmerbedrijf op, het leegstaand pretpark Am Planterwald werd een symbool voor sluwe herstructureringsprojecten, een overgebleven wachttoren werd heringericht tot een gelikte kunst/ lounge/ kino ruimte met de bedenkelijke naam 'Klub Katja'. De Kunstfabriek bleef wat het was namelijk mijn atelier alwaar ik ideeën verzamelde voor een Survival Kit waarmee ik uiteindelijk terug zou keren naar Holland en Noordkaap. Alle deelprojecten werden verwerkt in een website, een expositie met websitereleaseparty, inclusief dj en Displacement Cocktailbar. Een belangrijk onderdeel van de expositie was het stimuleren van ontmoetingen en het aanzwengelen van kritisch/ humoristische gesprekken over de creative city. En voor dat kritische zit je in Berlijn goed.

Getemd experiment
Berlijn, ik werd verliefd op Berlijn, maar waarom eigenlijk? Er zijn duizend redenen... uiteenlopende groeperingen en collectieven die zich sterk maken voor een sociale openbare ruimte. Er wordt nog altijd gretig gedemonstreerd. Karfreitag liet werkelijk autovrije straten zien, er is geen schijn van intimidatie in de U-Bahn of op straat. Een stadspark als het Görlitzer wordt vanaf de eerste voorjaarszonnestraal op ieder moment van de dag druk bevolkt, bespeelt, bezongen, bebarbecued door mensen en honden uit alle windhoeken. Je neemt je biertje mee op straat, je peuk druk je uit in het peukenbakje van de prullenbak, je auto kun je altijd kwijt in de middenberm of op de stoep. Een discussie is er een discussie met als doel de discussie, gratis magazines en stadskranten (Stadtkunst, Scheinschlag, Glaspaper) staan niet volgepropt met advertorials en onverteerbare nonsens, maar zijn lezenswaardig. Je mag er het gras betreden, je struikelt er over kinderspeelplaatsen en parken, over zitbanken die als zodanig gebruikt worden, over opgelapte wagens, over streetart en stickers. Je stopt er voor het rode licht, de Turkse bakker is 24h. geopend, de rest van de stad komt pas na elf uur in de ochtend tot leven. De Berliner Schnauzer blijkt een verzinsel. En daar waar je het gras niet meer mag betreden, daar waar een krakersbolwerk als Yorck ontruimd wordt om plaats te maken voor de Deutsche Bank, of daar waar de boete voor zwartrijden verhoogd wordt, daar is Berlijn niet te ingesuft en te bang gemaakt om er een demonstratietje tegen aan te gooien, of om een binnen no-time in elkaar geflanst videoproject met afterparty te organiseren.

Aan de andere kant is de stad ook regelmatig een gigantische cultuuruitdragerij. Een openlucht event van in de maat dansende (ex-) undergrounds. Van getemd experiment en gereguleerde rebellie. De illegaliteit, de on-the-run clubs, de sensatie van experiment van de Berlijnse technoscène van begin jaren '90, zijn gruwelijk geminimaliseerd of vercommercialiseerd. Desondanks en ondanks dat vele met weemoed terugkijken naar de tijd van voor de Wende, is Berlijn een creatieve stad die laat zien hoe het wél kan. Een stad van improviseren en verrassing; creativiteit is er niet een doel, maar een aanwezig ingrediënt. Het is een creatieve speeltuin voor zowel idealisten, uitvreters, dromenvangers en multinationals.

Kunstfabriek
Het gebied rond de Kunstfabrik, waar ik samen met nog zo'n 40 internationale kunstenaars werk en later ook een paar maanden woon, is in de afgelopen 112 jaar ontwikkeld tot culturele horspot. Het is een van mijn favoriete plekken, een real-life case over de vercreatisering van stadsdelen, die ik gebruik in de Pop-Up Show.
Het begon met een kleine groep eigenzinnige idealisten die een enorme fabriekshal (nu de Arena) in gebruik nam en een groep kunstenaars die een oude tramremise (nu de Kunstfabrik) kraakte. In de sloot dreven vlonders met daarop houten hutjes waar vage plaatjes werden gedraaid en waar het bier altijd lauw stond. Afgelopen zomer vierde de Arena haar 110-jarig bestaan. Een vol programma, elke dag feest, MTV party's, tentoonstellingen van de Berliner kunst avant-garde, beachparty's bij het gehypte Badeschiff, optredens van groot- en kleinheden, kunstarrangementen, volop publiek, pers en toeristen. Het gebied heeft een wegwerpaura; de eens zo avontuurlijke Wasserbar zit nu verscholen onder Red Bull parasols, een hek voor het Badeschiff wordt tijdens party's bemand door opgefokte bewakers, er wordt continu saaie house gedraaid waar niemand op danst en het eten bij Freischwimmer is niet meer te betalen. Het lijkt op een vleesgeworden reclamespot. De Kunstfabrik deed tijdens de festiviteiten niet mee en bezweek niet voor het creative industry tijdperk dat buiten in volle glorie zijn winst uittelde. Dat de Kunstfabrik koppig een eigen lijn trekt maakt het een heroïsche en naïeve plek tegelijk. En zo zijn er voorlopig nog voldoende plekken en initiatieven.

Een stad in balans, waar ik na een tijdje niet meer raar opkeek als er maar 10 man publiek is bij een groots optreden, waar ik regelmatig teleurgesteld van een al te middelmatige tentoonstelling afdruip, waar internationale projecten nooit op tijd beginnen en er altijd problemen zijn met de apparatuur. Maar waar discussieavonden altijd druk bezocht zijn, waar iedere week minstens twee nieuwe clubs en kunstruimtes haar deuren opent, waar de openingsweekenden in Mitte drommen kunstliefhebbers trekken en waar je pure energie gratis van de straat kunt plukken.

Na de eerste weken vooral veel genieten van de stad en van alleen zijn, geen bijbaantjes en verplichtingen, stort ik mij in de relatief kleine kunstscène van Berlijn. Pop-Up Show begint vorm te krijgen en ik ontmoet curatoren, kunstcritici en collega's op het atelier. Vooral ook niet-collega's in de stad stimuleren mijn werk en voor ik het weet heb ik een nieuw netwerk opgebouwd, begin ik steeds meer thuis te komen.
Tijdens mijn tentoonstelling wordt ik uitgenodigd deel te nemen aan een internationaal project over kunst en economie Produkt und Vision. Ik krijg 2 dagen om een besluit te nemen, maar weet na 2 minuten al dat ik blijf. De daaropvolgende maanden woon ik in de gastwoning op zolder in de Kunstfabrik. Het mooiste huisje van Berlijn, met uitzicht op de Spree, een deur die uitkomt op het opgespoten strand van het Badeschiff en dus midden in mijn favoriete researchplek. Produkt und Vision blijkt ook een researchproject te zijn. Alleen dan wel een Duitse versie; veel, heel veel theorie. Tijdens de tentoonstelling richt ik, samen met mijn Nederlandse collega Jeroen Fransen, een projectruimte Pop-Up Office in om daar gedurende drie weken te werken aan en te praten over het thema 'städtischen Entwicklung, kreativen Stadt en Ökonomie'.

Terug naar de Randstad
Sinds een paar weken ben ik weer terug in Nederland. Het is een krakkemikkerige onderneming en gaat gepaard met akelige heimwee aanvallen. Maar omdat er een spannend project op stapel staat waar stichting Noordkaap actief betrokken wordt bij de herontwikkeling van de Voorstraat-Noord, besloot ik terug te gaan. Mijn beurs was ondertussen ook drie dubbel op. De stad Dordrecht als ideale projectruimte, maar gelukkig heb ik altijd nog meer humor dan mijn Duitse collega's, Van 15 t/m 18 december organiseren Noordkaap en Pictura een manifestatie op de Voortsraat-Noord in Dordrecht. Het is een trailerproject met achterliggend idee om vanuit onze onafhankelijke positie op kritisch, experimentele, verrassende en poëtische wijze banale vercommercialisering van de cultuur en de stad tegen te gaan. Dus voorkomen dat kunst slechts optreedt als decoratiebureau binnen stedelijke vernieuwing. Dus telkens reageren op onzinnige maatregelen die de sfeer in de openbare ruimte verzieken. En dus op z'n minst onderzoeken, testen en laten weten hoe het ook anders kan. Als we dreigen in te dutten stappen we gewoon in de trein richting Berlijn voor een frisse duik in de stad. Zodat we met nieuwe moed en voldoende Begeisterung weer terug kunnen gaan naar de Randstad...das heißt wènn wir zurück gehen....

>> Tekst